Olga de Kort. Interview met Denis Kozhukhin (Pianist, 2016, nr.2)

Olga de Kort. ‘Musicus is een beroep voor het leven’: Interview met Denis Kozhukhin (gepubliceerd in Pianist, 2016, nr. 2, p. 104-107)

denis_kozhukhin-4-Denis Kozhukhin is de laatste tijd een vaak en graag geziene gast in Nederland. Het debuut van deze winnaar van de Koningin Elisabeth Pianowedstrijd 2010 in de serie Meesterpianisten in februari 2014 maakte grote indruk op het met beroemde meesters vertrouwde publiek van het Concertgebouw. In maart was de Rus weer in Nederland voor de opnamen van zijn nieuwe cd met de pianowerken van Brahms. Als Artist of the Season van Pentatone brengt Kozhukhin deze disc uit na de net afgeronde opnamen met de Griegs en Tsjaikovski’s Pianoconcerten. Het gesprek in het Muziekcentrum van de Omroep ging dan ook onvermijdelijk over de opnamen en het drukke concertleven van de 29-jarige pianist.

De eerste Pentatone cd met pianoconcerten is achter de rug, en u bent hier in Hilversum alweer met een nieuwe opname bezig. Het repertoire van uw solo cd’s varieert van Haydn en Brahms tot Prokofjev. Zijn dat uw favoriete componisten die u ook het liefst op uw programma’s terugziet?  Alle drie zijn mijn favoriete componisten. Misschien is het niet origineel om je discografie met Prokofjev te openen, maar de sonates nrs. 6, 7 en 8 van mijn eerste disc vullen elkaar goed aan en geven een goed beeld van zijn pianomuziek. Wat betreft Haydn, hij heeft zo veel werkelijk uitstekende sonates gecomponeerd. Helaas worden ze weinig gespeeld, alleen zo af en toe en tussen de grote werken door. Voor mij is hij geen tussencomponist, ik zou ooit alle sonates willen spelen. Ik heb hem trouwens vaak met Prokofjev gecombineerd. Prokofjev zelf heeft veel van Haydn geleerd en was dol op zijn muziek, vooral toen hij met de Eerste symfonie bezig was. 

De nieuwe solo-cd is geheel gewijd aan Brahms, die ik eerst via zijn kamermuziek ontdekte. De pianowerken die ik opneem zijn geen briljante variaties of virtuoze paradestukjes.  Ik ga voor zijn emotioneel intensieve, diepe composities met weinig uiterlijk vertoon.

Welke muziek beluisterde en speelde u graag toen u nog kind was? De eerste muziek die ik hoorde was van Sergej Rachmaninov. Ik was een jaar of vier en was dol op zijn pianoconcerten. Ik weet zelfs naar welke platen ik toen graag luisterde: het Tweede pianoconcert met Svjatoslav Richter en het Derde met Emil Gilels. Wat betreft zelf spelen, werd ik in mijn beginjaren niet vaak naar mijn eigen voorkeuren gevraagd. Maar ik was al vanaf mijn negende stiekem bezig met het Tweede pianoconcert van Sergej Prokofjev. In mijn eentje, in plaats van mijn huiswerkstukjes te studeren.  Ik herinner me hoe ik van zijn notenbeeld schrok, maar ik ging gewoon door.

Gezien uw repertoire is uw eigen anderhalfjarige zoontje niet alleen aan Rachmaninov en Prokofjev gewend? Hij is nu al veel verder dat ik ooit op zijn leeftijd was. Toen hij geboren was, was ik met het Eerste Pianoconcert van Bartók bezig, en dat is niet zo maar Bartók, maar Bartók in drievoud. Met drie maanden luisterde hij al naar Boulez, die ik toen aan het instuderen was. Ik maakte me eerst zorgen dat hij niet zou slapen, maar nee, hij slaapt prima. Het enige waar hij zich niet aan stoort, is mijn studeren aan het piano.

Was uzelf een heel gedisciplineerde leerling die netjes uren achter de piano zat? Had u toen al het idee dat een carrière als concertpianist echt iets voor u zou zijn? Volgens mijn vader speelde ik altijd uit mijzelf, niemand heeft mij of mijn broer, die ook pianist is, tot dit instrument veroordeeld. Ik haatte wel al die toonladders en Hanon-oefeningen.  Maar ik wist toen al dat ze goed waren voor de techniek, zelfs als ik naar iets meer creatiefs verlangde. Je moet je creatieve ideeën op een degelijke basis laten rusten.

Deze basis kreeg ik vanaf een jaar of acht-negen toen ik bij Natalia Fish aan de Balakirev Muziekschool in mijn geboortestad Nizjni Novgorod ging studeren. Ik deed al vanaf mijn tiende mee aan internationale concoursen, maar ik dacht toen nog niet een carrière als concertpianist. Ik hield van alle muziek, vooral van koorwerken. Mijn vader is koordirigent en componist, ik ging mee naar de repetities, zong al heel vroeg mee, en kende zelfs alle pianopartijen van de stukken. Maar concertpianist, nee, dit idee ontstond heel geleidelijk. Ik denk dat ik pas in Spanje begreep dat het echt serieus werd.

U vertrok op uw veertiende naar de Escuela Superior de Música Reina Sofía in Madrid, helemaal alleen. Een jaar later stond u op het podium in Verbier en nog eens vier jaar won u de derde prijs van de Leeds Piano Competition. U was al heel vroeg heel succesvol in concoursen, nam u er altijd graag deel aan? Een concours is een niet echt een heel natuurlijke situatie, ik moet hier altijd aan de jury van het kunstschaatsen denken, die ook punten geeft voor artisticiteit. Het is wel belangrijk voor een musicus, vooral als het helpt om deuren van concertzalen te openen. Maar dat is niet altijd het gevolg van een prijs, er zijn genoeg pianisten die ook zonder eerste prijzen een mooie muzikale carrière hebben. Het belangrijkste is hoe je je verder ontwikkelt. Ik schaam me er niet te zeggen dat ik er helemaal niet bij alle concoursen met een prijs vandoorging. Wel bij mijn belangrijkste wedstrijd, het Koningin Elisabeth Concours in 2010, en daar ben ik inderdaad heel gelukkig mee.

Ik heb uw concoursoptredens toen gezien, u leek in alle situaties volkomen op uw gemak. Ik was net een zenuwknoop. Maar dat geef je de nodige kracht, je leert tijdens concoursen jezelf in de hand te houden. In je concertleven kom je er al snel achter hoe belangrijk de concoursschool is.KozhukhinD-Elisabethwedstrijd2010

U hebt inmiddels op vele podia gespeeld, onlangs nog debuteerde u in het Weense Konzerthaus en in Pittsburgh. Lange vliegreizen, altijd op reis, – hoe lukt het u om alles te combineren en uw energie te verdelen? Ik ben aan dit tempo gewend. Alles is relatief. Toen ik de eerste keer in New York moest spelen, was ik kapot van de lange vlucht en tijdsverschil. Maar nu maakt het me niet uit op welke tijd en in welk klimaat ik speel. Ik kan ook niet zeggen dat ik weinig tijd heb vanwege al het reizen. Ik ben al lang tot de conclusie gekomen dat je de snelheid waarmee je nieuw repertoire instudeert, kunt trainen. Veel werk vindt ook niet achter het instrument plaats, maar in het hoofd, met of zonder partituur in handen. Daar neem ik een voorbeeld aan dirigenten. Als je met ze meereist, dan zitten ze altijd hun stukken ‘droog’ door te nemen. Ik doe dat ook. Ik wil mijn hersenen doelgericht trainen om ook zonder het instrument te kunnen studeren.

Hoe bereidt u zich verder voor op een nieuw stuk? Ik bestudeer altijd de andere werken van de componist met wie ik me bezighoudt, vooral zijn symfonische en kamermuziek. Dat helpt om deze componist buiten zijn piano-oeuvre te leren kennen, en in een ander perspectief te bekijken. Het klinkt misschien paradoxaal, maar je hoort dan veel meer, en denkt niet alleen aan specifiek technische dingen en speelmanieren. Toen ik me bezighield met de sonates van Haydn, heb ik bijvoorbeeld veel naar de opnamen op authentieke instrumenten geluisterd. Zelf ben ik geen fortepianist, maar ik heb diep respect voor mijn collega’s die de vroege instrumenten bespelen. Ik luister dan vol bewondering hoe het in de tijd van Haydn moet hebben geklonken, om de sfeer en de klankkleur te ervaren die natuurlijk anders zijn dan op onze moderne vleugels.DK-slide-websiteIn een van uw interviews heeft u gezegd dat een pianist zijn hele leven lang op zoek is naar de best mogelijke klank. Dat geldt voor alle musici, denk ik. De klank is het timbre van onze ‘stem’ die we  aan het publiek laten horen. Het is voor mij geen doel op zich om een unieke klank te ontwikkelen. Hoewel… als je ‘blind’ naar een opname luistert en kunt horen wie er speelt, dan zegt dat natuurlijk veel meer over een pianist, dan wanner je na de tiende track nog steeds niet weet wie er achter de vleugel zit. Dan praten we over de magie van het instrument en het spel van de pianisten. Mijn leraar Dmitri Basjkirov heeft een dergelijke individuele klank. Ik vind het moeilijk om een na te streven klank te beschrijven. Je kunt het natuurlijk doen in termen van timbres en kleuren doen, maar je hebt ook nog met tijd en ruimte te maken. En Basjkirov, die ongetwijfeld een groot pedagoog is, kon niet alleen laten horen maar ook uitleggen en je een voorstelling van de klank laten vormen. Als ik nu zelf een masterclass geef, realiseer ik me hoe moeilijk het onder woorden te brengen.

Bent u van plan ooit zelf les te geven? Nee, ik beperk me nu tot masterclasses. Ik vind lesgeven heel leuk maar het is ook een grote verantwoordelijkheid. Ik heb bewondering voor mijn collega’s die hun intensieve concertleven met een klas op een conservatorium combineren. Maar het blijft me boeien, ook omdat het interessant is om voor een leerling een concreet doel te specificeren. Dan leer je ook veel van, het is een tweezijdig proces.

Klopt het dat u altijd in de zaal kijkt en blij bent als er jongeren zitten? Dat wordt wel eens gezegd, maar het is een beetje overdreven. In de zaal kijken, hmmm, dat doe ik me niet aan voor een concert. Maar ik ben zeker blij als er jongeren in de zaal zitten. Ik ben ook voor de popularisatie van klassieke muziek, want de jeugd mengt zich toch niet echt graag tussen het publiek in avondjurken en rokkostuums. Maar deze popularisatie moet ook niet te ver gaan, geen shows met parachutespringers om het voor de jongeren leuker en toegankelijker te maken. Ik betwijfel of ze toch naar het volgende, minder avontuurlijke concert komen. Ik doe heel graag mee met ‘meet and greets’ met het publiek, zelfs als ze vijf minuten voor aanvang van het concert geprogrammeerd zijn. Ik vind het belangrijk om met mensen te communiceren en hun vragen te beantwoorden. Maar of alle conventies van een klassiek concert te wille van popularisatie moeten verdwijnen, betwijfel ik. In het geval van een recital heb je als publiek uiteindelijk toch wel met de pianist te maken, die twee uur lang met zijn neus in de toetsen zit. Het biedt weinig ‘action’. Kozhukhin-Hakhnazaryan-CityofLondonFestival

Ben u een uitgesproken solist die het liefst deze twee uur in zijn eigen wereld doorbrengt? Zeker niet, ik vind alle genres interessant en boeiend. In Madrid speelde ik graag met mijn Cervantes Trio, en nu zeg ik ook geen nee tegen een ensemble of een orkest. Pianist is een eenzaam beroep. Binnen de kamermuziek krijg je de kans op ontmoetingen met geweldige musici van verschillende generaties. Samenspelen is een leerzame school, ik word er altijd blij van.

Uw enthousiasme is heel aanstekelijk, en ook uw luisteraars merken hoe u geniet van de muziek die u speelt. Als muziek de keuze van je leven is, dan houdt verwondering nooit op. Kijk naar de oudere musici, de gelauwerde professionals, ik zou zelf willen zeggen ‘generaals van de muziek’, zoals Menahem Pressler. 92 jaar, en wat een agenda! Iedere dag studeren, repeteren, nieuw repertoire leren, dat is ook wat ik voor mijzelf graag wil. Musicus is een beroep zonder punt aan het eind, het is voor het leven. ©Olga de Kort, 2016.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: