O. de Kort. Vergeten pianomethodes: Duitsland, Nederland, Rusland (Piano Bulletin, 2016, nr.3)

Olga de Kort. Vergeten pianomethodes: Duitsland, Nederland, Rusland (gepubliceerd in Piano Bulletin, 2016, nr.3, p. 28-37) 

Methodes, leergangen, pianoscholen. Van een pianodocent wordt verwacht dat hij of zij niet alleen op de hoogte is van alle pedagogische inzichten, maar ook weet hoe een leerdoel in de praktijk te bereiken is. Wie het even niet weet, kan dit proberen te ontdekken aan de hand van verschillende systematische benaderingen en oefeningen oftewel de methodes. Want een methode biedt een plan, een manier van doen, en het liefst het meest logische en gestructureerde die er bestaat.

Elke docent heeft eigen leermanieren voor de introductie van de muzieknotatie, sleutels of intervallen. Er zijn veel gevestigde en gerenommeerde methodes die een helpende hand en genoeg inspiratie bieden om iedere leerling uren van speelplezier aan de piano te bezorgen. Maar we kijken steeds verder, altijd bereid om kennis te maken met nieuwe methodes. Die worden vooral beoordeeld vanuit het gezichtspunt in hoeverre ze vernieuwend zijn. Wat hebben ze wat de andere boeken niet hebben? Wat leggen ze beter uit? Hoe gebruiksvriendelijk zijn ze?
De oude methodes worden vaak veel te snel afgedaan als ouderwets en niet meer voldoend aan de eisen van de hedendaagse muziekpraktijk. Dat kan kloppen, maar ook oude methodes waren ooit nieuw en innovatief. Alle ideeën die voor de nieuwe generaties pianodocenten als vanzelfsprekend worden beschouwd, werden ooit geïntroduceerd, voor het eerst geïntegreerd in de pianolespraktijk en verder ontwikkeld.
Een kijkje in het verleden levert verrassende ontdekkingen op en laat een wereld van pianomethodes zien die verre van star is. Met name het begin van de twintigste eeuw bracht nieuwe inzichten in de pianomethodiek voort. Steeds meer van onze collega’s uit die tijd begonnen zich te realiseren dat het in het piano-onderwijs niet alleen om techniek ging, en betrokken er tevens de ontwikkeling van muzikaliteit bij, alsmede die van het gehoor, de waardering van de melodische schoonheid en het ontwaken van fantasie bij de leerlingen.

a-halmSchoonheid van kunst en muziek – Duitsland
August Halm
            De meest opvallende methode uit het begin van de twintigste eeuw is wellicht de Klavierübung van August Halm (1869-1929).1 Deze Duitse schepper van stijlbewust gecomponeerde fuga’s en sonates, kenner van Bach, Beethoven en Bruckner2 , muziekcriticus, theoloog, ‘cultureel idealist’, muzikaal estheticus en een van de grondleggers van de Duitse Musikalischen Jugendbewegung, vond zijn ware roeping in het muziekonderwijs. Hij zocht naar de manieren om de jeugd dichter bij beeldende kunst, muziek, natuur en religie te brengen en ontwikkelde samen met Gustav Wyneken en Paul Geheeb in 1906 een concept van een vrije school3.
Halm werkte als muziekdocent in deze Freie Schulgemeinde in 1906-1910 en 1920-1929. De dag van zijn leerlingen begon met muzikale gymnastiek en een concert. Verder werden er instrumentale muzieklessen gegeven, afgesloten met een concert of een lezing. Het door Halm ontwikkelde muzikale curriculum was bedoeld om kinderen de muziek “te laten ervaren door het instrument en niet omgekeerd”.4

De Pianoschool (Klavierübung) was een unieke poging om het pianospel op een andere manier te onderwijzen, met aandacht voor de intellectuele ontwikkeling van het kind en voor het stimuleren van zijn creativiteit.5  De lessen zijn opgebouwd rond imaginaire gesprekken tussen een leerling en zijn docent. Het leren spelen is hier nauw verbonden met het leren nadenken en het leggen van verbindingen. Zo adviseert Halm een leerling die een kort muziekfragment met één vinger speelt, de melodie beter meteen in zijn geheel te leren. Je moet immers nooit beginnen zonder eerst een idee over het stuk en de nog te spelen delen te vormen. “Ga niet bij toeval van de ene naar de andere noot,” waarschuwt Halm. “Onthoud dat! Het is een van de meest belangrijke regels van het instuderen.”
Deze Socratische dialogen ontlokten een enthousiaste reactie van de muziektheoreticus en componist Heinrich Schenker (1868-1935), die in zijn brief aan Halm op 27 oktober 1919 schreef hoe bijzonder geslaagd hij dit pedagogische idee vindt: “Es macht Ihnen alle Ehre, wie Sie da den Tauben die Ohren öffnen, den Fingern gleichsam Verstand und Augen geben. Diese schöne, echt deutsche Liebe zum Stoff, zum Schüler als Adepten der Kunst u. als – Menschen! Wie drückt sich das alles in jeder Wendung der schönen Sprache aus, die schon allein den Schüler heben muß, in der Führung jedes einzelnen Problems, das ihm vorgeführt wird. Beinahe möchte ich glauben, daß Ihre ‘Klavierübung einem Selbstlerner mehr Segen bringen wird, als einem, der sich eines Lehrers bedient.6
Een ander belangrijk principe van Halm is het onafhankelijk studeren van de student. Zijn methode was een van de eerste waar de leerling zelf aan de slag kon om verschillende stemmen of een eigen begeleiding bij een stuk te componeren.
In de geciteerde brief vergeleek Schenker de Pianoschool met een ‘intellectuele oase’ die zo nodig was in het naoorlogse Duitsland. Toch vreesde hij dat de methode, ondanks dat de stimulerende werking ervan kinderen leerde muzikaal te denken, spontaan te reageren en de muziek aan te voelen, niet door iedereen toegejuicht zou worden: Ohne den Lehrern es zu verargen, die ja mit dem Leben so schwer zu ringen haben, meine ich doch, daß mit der quantitativen Zunahme dieses Standes die qualitative Erleuchtung leider nicht gleichen Schritt halten kann, u. ich befürchte, daß Ihre schöne Arbeit, die ja beinahe alle Mühe dem Lehrer abnimmt, gleichwohl das Gesetz der ‘Masse nicht werde überwinden können. Sie haben aber Ihre Pflicht getan u. müssen es nun der Welt überlassen, ob sie folgen will oder nicht. 7
Schenker had gelijk. Het eerste deel van Halms methode werd gepubliceerd in Stuttgart in 1918, maar de invloed ervan bleef beperkt tot vooruitstrevende ‘reformdocenten’. Zijn derde uitgave in 1928 werd tevens de laatste. Het tweede deel onder redactie van Willi Apel werd slechts eenmaal, in 1932 gepubliceerd. Halms Klavierübung, die de leerlingen stapsgewijs in de wereld van Bachs en Beethovens muziek inwijdt, is vandaag de dag in vier bibliotheken van Duitsland, Zwitserland en de VS te vinden.
De belangstelling voor de Duitse muziekpedagogiek uit het begin van de twintigste eeuw is nog pril en de eerste onderzoeken dateren van na het jaar 2000. Het is te hopen dat ook Halms filosofische pianomethode opnieuw uitgegeven wordt zodat de hedendaagse docenten er zelf kennis mee kunnen maken om de waarderende woorden van Heinrich Schenker te kunnen beamen: “Diese [methode] sei von schönster Liebe zum Stoff, zum Schüler als Adepten der Kunst u. als Mensch getragen – habe den Eindruck, daß sie sich für einen Selbstlerner besser eigne, als für den Unterricht eines Lehrers; die Masse der Lehrer sei als Masse nicht disponiert, eine solche Hingabe zu leisten, selbst nicht in diesem Falle, wo ihnen im Grunde alle Mühe vom Autor bereits abgenommen worden.” 8

vonimrer-2Otto von Irmer
De naam Оtto von Irmer (1903-1992) is op de titelpagina’s van tientallen uitgaven van Henle Verlag te lezen. Als muziekredacteur was hij verantwoordelijk voor Urtext-uitgaven van onder anderen Beethoven, Bach en Mozart. De leerlingen die hun eerste kennismaking met Für Elise via de Henle-editie maken, spelen nog steeds volgens zijn aanwijzingen. Zijn toelichtingen bij werken van Haydn, Mozart, Beethoven, Bach en Vivaldi staan op talloze LP-hoesjes van EMI, Decca, Telefunken en His Master’s Voice uit de periode 1960-1980.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw publiceerde Von Irmer zijn eigen driedelige pianoleergang Ein Weg zum Musizieren am Klavier (Tonger Verlag). De opbouwende kennismaking met beginselen van het pianospel verloopt aan de hand van voordrachtstukken van componisten als Türk, Mozart, Kuhlau, Händel, Haydn, Beethoven en Schumann.
Van Improvisationen op basis van ‘vraag en antwoord’ en Musikstücke in Fünftonraum tot de composities met Tertzenbewegungen en Tonleiterbewegung – het zorgvuldig geselecteerde oefenmateriaal presenteert de rijke erfenis van de klassieken uit de achttiende en negentiende eeuw. De werken van Bach, Zachau, Pachelbel, Händel, Mozart, Krebs, Couperin, Beethoven, Heller en Brahms vormen de inhoud van het tweede deel, getiteld Spielbuch mit methodischen Anregungen: Durch die Klange der Jahrhunderte. Ze worden gegroepeerd in thematische hoofdstukken: Uit de Bach-tijd, Dansvormen in de achttiende eeuw, Huismuziek uit de Empfindsamkeit, Uit de Schubert-tijd, Aan het einde van de negentiende eeuw en Onze tijd. In het derde deel Übungsheft komen ook etudes, toonladderoefeningen en oefeningen in chromatiek en trillers voor.vonirmer-1
De link naar de klassieke beeldende kunst wordt versterkt door de keuze van afbeeldingen. Architectuur en schilderkunst plaatsen de sonatines, variaties, dansen en preludes in de cultuurhistorische context van de tijd waarin ze gecomponeerd werden. De afbeelding met de traliepoort in de St. Killiam Dom te Würzburg introduceert de composities uit de tijd van Bach. De kopergravure Menuet (Augsburg, 1740) van J.E. Nilson is geplaatst naast de beschrijving van het menuet als de verfijnde en gracieuze ‘koning der dansen’. De tekening ‘Schubert-avond bij Josef von Spaun’ van Moritz von Schwind, met de componist aan de vleugel, geeft een kijk in de Schubertiades. En dan nog het sierlijke gotische schrift op de kaften en de uit hout gesneden middeleeuwse groep van musicerende engelen (1505) van Tilman Riemenscheider (1460-1531) die de muzikale reis door de geschiedenis begeleiden. Al deze beelden helpen de leerlingen de sfeer en de geest van de tijd aan te voelen.

Nederlandse ‘oefeningen voor eerstbeginnenden’
breslaur-kaft-deel-1Emil Breslaur
Nederland keken docenten met veel belangstelling naar hun Duitse collega’s, maar kozen voor degelijkere, minder experimentele en de tand des tijds doorstaande boeken. Een van de meest gebruikte pianomethodes die de Nederlandse leerlingen in de jaren 1940-60 op hun les bestudeerden, was de Duitse negentiende-eeuwse Klavierschool van Emil Breslaur (1836-1899).
In zijn tijd was Breslaur een bekend muziekcriticus, koorleider van de Berlijnse Gereformeerde Synagoge en muziekdocent. Tot zijn werken behoren methodische werken en bundels met oefeningen, zoals Melodiebildungslehre auf Grundlage des harmonischen und rhythmischen Elements en Zur Methodischen Übung des Klavierspiels. Zijn Methodiek des Klavier-Unterrichts in Einzelaufsatzen. Für Lehrer und Lernende beleefde tussen 1886 en 1914 twaalf edities in drie talen.9
Breslaur was de oprichter van de Berlijnse Vereniging van Muziekdocenten (latere Deutscher Musiklehrer-Verband, 1886) en het Seminarium voor pianodocenten. Gedurende twintig jaar publiceerde hij het tijdschrift Der Klavierlehrer en was hij de redacteur van Musikpädagogische Blätter.10     breslaur-deel-1-andriessen     Breslaurs driedelige Klavierschule opus 41 telde in 1898 al achttien uitgaven. Het werk werd in drie talen vertaald, waaronder het Nederlands. Aanvankelijk werd de Nederlandse uitgave bewerkt door Johanna Veth11, die de tekst “volgens het systeem De Sonnaville” heeft ingericht.12 In 1939 vroeg de Utrechtse uitgever J.A.H.Wagenaar Marie M. van Oost, “leerares aan de Muziekschool van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst te Utrecht”, om de tweedelige uitgave te herzien.13 Het resultaat werd toegejuicht door Hendrik Andriessen als blijk van “een beproefde ervaring [die] tot haar recht komt”.
breslaur-deel-1-p7Het is inderdaad een degelijke en praktisch uitgewerkte methode voor het beginonderwijs. Het begin wordt gemaakt met de positionering van de handen en het aanleren van het legato-spel. Al bij de allereerste oefeningen worden leerlingen geacht om hardop te tellen, de sterke en zwakke maatdelen met de hulp van uitroepen “Vader! Moeder!” te herkennen en de noten te zingen, eveneens hardop. Na een paar lessen kan de beginnende speler al de gemakkelijke quatre-mains stukjes spelen, mits de uitgeschreven vingerzetting ook goed in de vingers zit. De oefeningen zijn voorzien van teksten zoals “Schijn maar helder, zon!” voor het uittellen van hele noten, “Laag en hoog, hoog een laag. Bergen op, bergen af. Eerst verheugd, dan bedroefd” voor de op- en neerwaartse bewegingen (deze tekst moet trouwens een octaaf lager gezongen worden). De voorzin-nazin structuren worden uitgelegd met het liedje “Levenslust, mijn kleine guit, (vóórzin), Kijkt uw donkre kijkers uit (nazin). ‘k Wacht u graag morgen vroeg (vóórzin), Want dan heb ik tijd genoeg” (nazin). Boogjes, rusten, staccato ‘met lossen pols’, drieklanken, ‘oefeningen met accenten’, opmerkingen over de technische bijzonderheden en correcte uitvoering van oefeningen – ondanks enige tekstuele anachronismen, is het boek verrassend compleet en laat het de leerlingen kennis maken met de pianotechniek via eenvoudige stukjes en bewerkingen van Gurlitt, Diabelli, Rossini en Breslaur zelf.
Het ontbreekt niet aan didactische waarschuwingen, die Marie van Oost in haar voorwoord uitspreekt: “Eerst het éene goed, dan het andere. ‘Gauw en met spoed, gaat zelden goed!’”, roept ze streng uit. “De leerling moet geduld hebben en leeren om langzaam te studeren, eerst lezen wat er staat, dan kan men beginnen te spelen. Is eenmaal de grond goed gelegd, dan verder bouwen.” Het lijstje met negen fouten die van een leerling ‘een mislukkeling’ maken, is op dezelfde pagina in het grotere schrift uitgedrukt. Dat zijn ze: “1. Niet rustig zitten voor het klavier. 2. Geen goede handhouding. 3. De handen niet klaar zetten, voor men begint. 4. Ongelijk aanslaan der beide handen. 5. Geen goede vingerzetting. 6. Veel te veel pedaalgebruik. 7. Niet tellen. 8. Te vlug studeren. 9. Te weinig geduld”. En nog een regel om nooit te vergeten: “Geduld overwint alles!”.14
Te midden van dit hoogdisciplinaire basisonderricht zou men bijna vergeten dat het in 1939 al lang bekend was dat een pianoles ook de muzikaliteit in het kind naar boven moest brengen. Gelukkig is er nog een Inleiding van Emil Breslaur zelf overgebleven, waarin hij zijn leerplan uitlegt. Volgens hem is het “hoofdzakelijk [om] bij het muziekonderwijs niet alleen technische vaardigheid in het oog te houden, maar ook den zin voor muziek op te wekken, den grond tot wezenlijk kunstbegrip te leggen en in het algemeen opvoedend te arbeiden.” 15

petri-2-kaft_001 Willem Petri
Veel bemoedigender van toon en uitgebreider in de theoretische en technische uitleg is de tweedelige uitgave van Oefeningen voor eerstbeginnenden in het pianospel van Willem Petri (1865-1950).16 De toenmalige Directeur der Utrechtse Muziekschool droeg zijn leergang op “aan de Nederlandse pianospelende jeugd”. Gezien het succes van de eerste uitgave van zijn Oefeningen besloot Petri deze in 1932 uit te breiden met het tweede deel, gewijd aan ‘het toonladder- en akkoordenspel, waarin dus de verschillende manieren van handverplaatsing en dubbelgrepen, speelmanieren, toonsoorten enz. worden behandeld’. Beide delen zijn voorzien van een beknopte uitleg zodat ‘de leerlingen bij hun oefenen kunnen nazien, wat de leraar(es) op de les heeft onderwezen’.17 Alle oefeningen zijn bedoeld om elke hand eerst afzonderlijk te oefenen, vaak met een linkerhand die twee octaven lager speelt. De ‘vooroefeningen’ worden opgevolgd door een kort stukje waar de net aangeleerde vingerbewegingen of grepen worden toegepast en vastgelegd. Deze combinatie van technische oefeningen en verdere uitwerking in dansen, Oud-Hollandse liederen en eenvoudige composities van Mozart en Beethoven, maken van zowel Petri-I als Petri-II nog steeds bruikbaar speelmateriaal.

Russische en Sovjet pianomethodes
Gezien de pedagogische faam van de Russische pianoschool en de hoeveelheid van methodes en leergangen uit Rusland, is het bijna onmogelijk zich voor te stellen dat ze alle pas in de twintigste eeuw werden ontwikkeld. De vermaarde pedagogen werkten op basis van eigen bevindingen en konden met recht over een eigen pianoschool spreken. De eerste ‘officiële’ Russische pianoleraar was de Ier John Field. Samen met zijn docent Muzio Clementi kwam hij in 1802 naar St.Petersburg voor een concerttournee en bleef er voor de volgende 27 jaar. Hij onderwees zijn leerlingen, waaronder Michail Glinka, op basis van zijn eigen methode en die van Clementi.

De gebroeders Anton en Nikolaj Rubinstein, de eerste Russische pianisten die internationale erkenning kregen en respectievelijk de conservatoria in St.Petersburg en Moskou openden, studeerden volgens de methode van Fields leerling Aleksandr Villoing (1808-1878). Zijn School voor piano werd gepubliceerd in 1863 en gebruikt als leergang voor de studenten van het conservatorium van St. Petersburg, waaronder Anna Jesipova, die vanaf 1892 daar zelf lesgaf. Villoings pedagogische repertoire bestond uit liedarrangementen en een keur aan cantilene-stukken. Over hem werd wel eens gezegd dat zijn doel was om een pianist de piano laten zingen.  Het motto van zijn School voor piano luidde: “Faites l’impossible pour arriver au possible.”

       De beroemdste pianodocente uit de eerste helft van de vorige eeuw Jelena Gnessina was leerlinge van Ferruccio Busoni. Samen met haar zusters Jevgenija en Maria en de broer Michail opende ze haar privéschool in 1895. Eindeloos veeleisend, zelden tevreden en niet scheutig in het geven van complimenten, wijdde ze haar leven aan het opvoeden van breed ontwikkelde musici in plaats van “bekrompen beroepsinstrumentalisten”. Ze was een van de eerste docenten die het belang van de introductielessen benadrukte. Ze zong liedjes met haar leerlingen, vroeg hen om een melodie op gehoor te vinden en componeerde de oefeningen voor non legato-spel die ze als de meest geschikte eerste speelmanier op de piano beschouwde.
Gnessina is de auteur van een groot aantal oefeningen, etudes en korte stukjes, die ze vervolgens in de albums Etudes voor beginners en Piano ABC bundelde. Haar boeken in combinatie met de albums van Samuil Maykapar, Aleksandr Goedicke en de klassieke pianoliteratuur leverden voldoende leerstof en inspiratie aan pianodocenten. Ze hadden verder geen behoefte aan innovatieve methodes. Elke nieuwe poging van muziekambtenaren om een ‘revolutionaire pianoschool’ de klaslokalen in te sturen kon op stille weerstand rekenen.
En zo kon het gebeuren dat de eerste gepubliceerde Sovjet-methodes pas in de jaren dertig verschenen. Binnen drie jaar kwamen er twee leergangen uit die elk op eigen manier de veranderingen in het muziekonderwijs en de “eisen van nieuwe Sovjet pianospelers” weerspiegelden. Ze zijn gebaseerd op de principes van algemene muzikale ontwikkeling van leerlingen met minimale culturele bagage, en hebben weinig aandacht voor de ‘technische zaken’.

      De eerste Sovjet pianomethode voor kinderen was in 1932 geschreven door Nikolaj Sherman (1896 – na 1960).18 Het was een zelfstudieboek dat, ook zonder enige pianodocent in de buurt, leergierige jongeren in dorpshuizen en muziekkringen aan een ABC van het pianospel kon helpen. Het repertoire bestond uit oude revolutionare en populaire liedjes, enkele volksarrangementen en een selectie uit klassieke composities. Romantische stukken waren uit den boze. Ook de technische oefeningen werden vermeden, het nodige minimum aan pianotechniek werd uitgelegd met de hulp van apart uitgelichte technische formules in de composities zelf.
Dat was ook het uitgangspunt voor het aanleren van de noten. Nikolaj (Noj) Sherman, pianist en docent aan het Conservatorium van Moskou in 1922-1941, benadrukte dat “de beste manier van het muziekleren is die waarbij alle kennis wordt vergaard door een leerling tijdens het bespelen van instrument. Door het liedje te spelen en zijn notitie te volgen, moet u onthouden hoe de klanken van het liedje worden genoteerd. Op deze manier zal u snel de noten leren. U moet echter nooit de noten leren zonder het liedje te spelen. Dat is niet alleen saai, maar ook schadelijk, omdat deze manier u niet helpt om de noten snel te lezen.”19

De Pianoschool voor beginners van Isaak Rabinovitch (1897-1985)20 is speciaal voor kinderen ontwikkeld. Na zijn studie piano en compositie in Kiev, werd Rabinovitch benoemd als methodiekdocent aan het Conservatorium van Moskou. Hij gaf daar de door hem ontwikkelde cursus van 1924 tot 1970. In tegenstelling tot zijn colleges werd zijn Pianoschool niet populair bij docenten vanwege een ongestructureerde indeling en de veel te theoretische uitleg. Maar toch waren er enkele principes die door de andere pedagogen verder werden uitgewerkt, bijvoorbeeld het ensemblespel met violisten. Veel aandacht besteedt Rabinovitch aan gehoortraining, oefeningen die het verschil tussen majeur en mineur laten horen en het gebruik van gedichten bij het uitleggen van ritme, metrum en maatindeling. 21

In 1948 kwam een nieuwe pianoschool uit die aan de eisen van de lespraktijk kon beantwoorden. Deze Verzamelbundel met pianostukken, etudes en ensembles voor beginners telde in 1984 zijn 21ste uitgave.22 De auteurs Sofja Ljachovitskaja en Lev Borenboim introduceerden nieuwe methodische principes, zoals de kennismaking met muziek via muzikale intonaties van de moedertaal, met als gevolg veel aandacht aan volksliederen en dansen. Volgens hen was een beginnersstuk veel meer dan slechts een stap naar de volgende technische uitdaging: “Behalve instructieve doeltreffendheid, moet een dergelijk stuk voldoen aan hoge artistieke eisen, met als eerste – een expressieve en voor een kind toegankelijke melodie’. Zelfs de eenvoudigste compositie kan “onderhoudend, briljant, karaktervol en toegankelijk qua muzikale taal” zijn. Het transponeren en vanaf de eerste lessen veel op gehoor spelen stimuleren, volgens Ljachovitskaja en Borenboim, de ontwikkeling van het gehoor, en met name het innerlijke gehoor van het kind. Ze stelden voor dat een deel van de composities uit het eerste hoofdstuk niet via noten maar op gehoor worden aangeleerd, door de melodieën op het klavier terug te zoeken en die vervolgens naar diverse toonsoorten te transponeren. De technische vaardigheden werden aangeleerd met de hulp van de etudes en oefeningen, terwijl het ensemblespel met een docent de jonge pianisten vertrouwd maakten met de kamermuziek, samenklanken en uitvoeringsprincipes. 23

Leren luisteren en zelf aan muziekuitvoering deelnemen; dit was het principe dat ook  componiste en muziekdocente Sofja Ljachovitsjkaja (1898-1972) in haar eigen praktijk toepaste. Ze was bijna dertig jaar lang de directeur van de Staatskindermuziekschool in Leningrad, tegenwoordig S.S. Ljachovitsjkaja Sint-Petersburgse Staats Kindermuziekschool. Ze componeerde talloze stukjes voor beginners, schreef haar eigen Ljachovitskaja Pianoschool voor beginners en stelde enkele nog steeds gebruikte albums met etudes, karakter- en vierhandige-stukken samen. 
Lev Borenboim (1906-1985) was hoofddocent pianomethodiek aan het Conservatorium van Leningrad en auteur van boeken over het piano-onderwijs voor beginners. In 1937 publiceerde hij zijn Pianopedagogiek, een boek gebaseerd op zijn lezingen aan het conservatorium.

Alle nieuwe inzichten, praktijkvoorbeelden en de beste tradities van de Russische pianopedagogiek kwamen uiteindelijk samen in de Pianoschool van Aleksandr Nikolajev. Deze leerling van Gnessina ontwikkelde zijn leergang in 1951. Het is nog steeds een van de meest invloedrijke pianomethodes, die overal ter wereld wordt gebruikt.

De methodes van Halm, Breslaur, Von Irmer, Petri, Sherman, Rabinovitsj en Ljachovitskaja -Borenboim zijn slechts enkele vergeten pianoscholen die in hun tijd allemaal nieuw en innovatief waren. Idealistisch, onpraktisch of gewoon allang ouderwets, ze kregen geen wereldbekendheid en maakten plaats voor meer verantwoorde, vernieuwde, praktijkgerichte en steeds aantrekkelijker uitziende albums en boeken. Maar ook zij hebben bijgedragen aan het vormen van de hedendaagse pianomethodiek en maakten veel nieuwe ideeën bespreekbaar en acceptabel. Het is nu aan docenten van vandaag om verder te experimenteren en nieuwe mogelijkheden, manieren en systemen te testen die ze uiteindelijk ‘pianomethodes’ zullen noemen. Maar een blik terug is nooit overbodig en de geschiedenis van de methodes bevat nog veel interessante leerplannen uit bijna alle decennia van de voorbije eeuwen.

Noten:

  1. Meer over Halm: Rothfarb, Lee A. August Halm, A Critical and Creative Life in Music. Rochester: University of Rochester Press, 2009. (Eastman Studies in Music) .
  2. In zijn boek Von zwei Kulturen der Musik uit 1913 presenteert Halm zijn concept over het bestaan van twee muzikale culturen, de melodische van Bach en de harmonische van Beethovens sonates, die als synthese van melodie en harmonie een nieuw niveau in de muziek van Bruckner bereiken. In 1914 publiceerde Halm zijn boek Die Symphonie Anton Bruckners, en in 1927 een biografie van Beethoven.
  3. Freie SchulgemeindeWickersdorf bij Saalfeld bestond tot 1991. Halm werkte er al muziekdocent in 1906-10 en 1920-29, waarvan in 1925-28 als directeur.
  4. Kelly, L.L., August Halm’s “Von Zwei Kulturen Der Musik”: A Translation and Introductory Essay. Dissertation. University of Texas, Austin. ProQuest, 2008, p.7. https://books.google.nl/books?id=iKijHw2sRnYC&dq=august+halm+music+piano&hl=nl&source=gbs_navlinks_s)
  5. Halm, A., Klavierübung. Ein Lehrgang des Klavierspiels nach neuen Grundsätzen, zugleich erste Einführung in die Musik. Vom ersten Anfang bis zu Beethovens leichteren Variationen und Bachs kleinen Präludien und Inventionen. Band 1: Stuttgart: Zumsteeg, [1918]; Kassel: Bärenreiter. Band 1, ausg. 2, 3: 1928, 75 pp.; Kassel: Bärenreiter. Band 2: 1932, 68 pp.
  6. http://www.schenkerdocumentsonline.org/documents/correspondence/DLA-69.930-8.html.
  7. idem.
  8. idem.
  9. Overzicht via worldcut.org/lccn-no96-63500.
  10. Meer informatie over Emil Breslaur: jewishencyclopedia.com/articles/3689-bresaur-emil.
  11. Johanna Veth was de componiste van koor- en kindermuziek, onder anderen van Decemberliedjes voor de kleinen, Vijftien Sint Nikolaasliedjes ‘Sint Niklaas is Jarig!’, Reepelsteeltje, operette voor school en huiskamer (ca.1905). Het Nederlands Muziek Instituut bewaart de partituur van haar Paascantate naar oude melodieëen voor kinderkoor en klein vrouwenkoor. Ze componeerde pianowerken voor de beginners zoals De Allereerste pianostukjes en Een Huiselijke danspartij. Twaalf kleine dansen voor piano.
  12. De Sonnaville methode werd ontwikkeld in de jaren ’70 van de negentiende eeuw door L.A.G. de Sonnaville (1873-1914), muziekleraar, koor- en orkestdirigent van het St.Willibrord-College te Katwijk a/d Rijn. Hij vereenvoudigde de notatiesysteem door de noten voor linker en rechterhand laten ‘doorlopen’ met de centrale c op de tussenlijn. Alle octaven werden genummerd, terwijl de zeven tonen ook even of oneven cijfers kregen. Bij een even octaaf stonden de tonen c, e, g en b op de lijnen en bij een oneven octaaf – tussen de lijnen. Het systeem werd gebruikt in het beginnerspiano-onderwijs, waar het ook een ‘piano-lottospel’ werd genoemd.
  13. Volgens het artikel in Utrechtsch Nieuwsblad vierde Marie van Oost op 9 juli 1949 haar zeventigste verjaardag. Ze was een ‘beminde lerares’ in Utrecht, ‘van nature begaafd met paedagogische aanleg en gesteund door de opgewekt humeur’. Haar vader speelde in het Utrechts Stedelijk Orkest. Ze gaf les vanaf haar zeventiende, onder meer vanaf 1920 aan de Muziekschool van de Maatschappij tot bevordering der toonkunst te Utrecht. Als een van haar  belangrijkste wapenfeiten noemt de krant de redactie van Breslaurs boek: “Van haar praktisch inzicht op het gebied van elementair piano-onderwijs getuigt hare herziening van de bekende Klavierschool van Breslaur.” In: ‘Marie van Oost zeventig jaar’. Utrechtsch Dagblad, 7 juli 1949, p. 3. hetutrechtsarchief.nl/collectie/kranten/un/1949/0707.
  14. Het Piano-onderwijs’ in: Klavierschool van Emil Breslaur. Deel 1. Utrecht: J.A.H.Wagenaar, 1939. Zonder pagina.
  15. idem.
  16. Willem Petri (1865-1950) was een bekende Utrechtse organist, pianist en muziekdocent. Behalve Oefeningen voor eerstbeginnenden in het pianospel schreef hij een leerboek Toonladders voor organisten.
  17. Petri, W. Deel II. Amsterdam: G.Alsbach & Co., 1938, p. 2.
  18. Sherman, N.S., Beginnerscursus van pianospelen. Voor zelfstudie. Moskou: Gos. Muz. Izd-vo, 1932.
  19. Jevstignejeva, L. A., Methodiek van het pianospelen. Toliatti: Conservatorium van Toliatti, 2010, 74.
  20. Rabinovitch, I. S. Pianoschool voor beginners, onder red. van B.Javorski. Moskva: Gos.muz. izd-vo, 1935.
  21. Jevstignejeva, L. A., pp.74-75.
  22. Delen 2 en 3 werden gepubliceerd in 1949.
  23. Het Voorwoord in: Ljachovitskaja, S., Borenboim, L., (red.) Verzamelbundel met pianostukken, etudes en ensembles voor beginners. Deel 1. Moskou: Muziek, 1984.
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: